woensdag 16 juli 2008

Nachtelijk waken

Een doos is geen doos. Een letter is niet zomaar een letter meer. Daar hebt gij nu wel voor gezorgd. Met enkele schermutselingen van zinnen dramde gij het op.
Daar stond ik dan. Gepakt en gezakt aan mijn eigen achterdeur. De tent stond op en de tuin lonkte. Verleidde.

Gij verstopte je hoofd met literaire Dahlkronkels in het struikgewas. Jouw imaginair struikgewas in mijn bescheiden tuin. Ge zou eens moeten weten… struiken zijn hier niet. Maar dat weet gij niet. Ge weet mij immers niet wonen.
Meneer Donker zou ons allemaal inpalmen. Dit ligt in elke ster besloten. De maan echter moet steeds opnieuw haar beste beentje voorzetten. Ook al bengelt ze boven al onze hoofden, waarom-vragen zijn complexe nachtdieren. Één oogopslag is niet voldoende.

Daar zat gij dan. Gemaskerd, incognito met reden. Ge ging me namelijk angst inboezemen.
Dus wacht ik gestaag. Mijn tentdeur staat op een kier en met de zaklamp in aanslag wacht ik. Tot de ochtend valt.


Enkel en alleen… vallen mijn ogen nu dicht.

vrijdag 11 juli 2008

Toen hing het af van een derde.

Alweer een woordenbrij die je genadeloos inlepelt. Je subject moet verteren. Slikken gebeurt blindelings voor andermans ogen die het panorama behoudzaam gadeslaat. Daar sta je dan, met je mond vol tanden die volop de woordenstroom herkauwt. Dit heet dan dia-loog.

“Je denkt altijd, je bént nooit.
Punt.

De intuïtie van die sensatie is nooit ver weg. De utopische gedachte wordt zonder meer gevoed. Een soort Bolero van ‘Zoiets van’. En samen sta je te wachten, op je eigen Godot, op je derde partij die deel uitmaakt van je groter geheel. Van je zijn, van je bént.
Je herkenningspunt: die oeroude boom die stilaan wordt gewurgd door groen gebladerte, samen met het vriendelijke gezicht dat doodleuk op de proppen komt met:

Godot komt vandaag niet, maar morgen zal hij zeker zijn afspraak nakomen

Dus blijven we gezellig met ons denken wachten. Op een antwoord, dat geen antwoord hoeft te zijn. Vragen zijn nu eenmaal warmer van kleur.


Men moet geduld hebben,
met het onopgeloste in het hart,
en proberen de vragen zelf lief te hebben,
als ontoegankelijke ruimtes,
als boeken, geschreven in volkomen onbekende taal.

Wanneer men die vragen leeft,
leeft men misschien geleidelijk,
zonder het te merken,
op een ongewone dag
binnen in het antwoord.

(Rainer Maria Rilke)
((Met dank aan))

donderdag 10 juli 2008

le Livre des Fantasmes

Mes terres brûlées, donnant plus de blé qu'un meilleur avril…
...

Laisse-moi devenir
L'ombre de ta main
L'ombre de ton chien

De vage pijn van de herinnering. Hier gaan we weer, voor de tweede maal. De cirkel van de Q is alweer mooi gevormd. Slapeloosheid zorgt voor de uitweg deze nacht. Gezapig bewandelen we beiden deze weg. De één op haar befaamde sletsen doorheen het dorre gras, de andere op blote voeten op beregende asfaltwegen.

We staan. Dáár.
Te midden in een vervallen Romeinse arena. Omringd door een schreeuwende massa.
Zonder woorden. Eindelijk.
Wat dit...

Mijn stappen in deze straat
Weerklinken
in een andere straat
waar
ik mijn stappen hoor
passeren in deze straat
waar
Slechts de mist werkelijk is

(Hier - Octavio Paz-Lozano)

... zegt genoeg ...

maandag 30 juni 2008

Heen

Waar gaat het heen?

De vraag zoemt als muggen om het hoofd dezer dagen. Men kan nergens meer komen of het gaat ergens heen. Het is immers vakantie. Dan wordt het wakker. Vervolgens reist het af naar binnenland, buitenland, eiland, strand, iets op afstand.
Het gaat, zo begrijp ik, ergens heen om er ergens anderers tussenuit te zijn. Dan moet het 'vakantiegevoel' zijn.
Over dat gevoel bestaat een brede consensus. Die is de laatste weken opzienbarend gegroeid, aan schoolpoorten, in straatbeelden, aan blote benen. Zelfs op de zonnenbank van nieuwsankers. Het is een zichtbare zucht van opluchting. De bel na een eindeloos lesuur zinsontleding. Een ontlading van de zinnen.

Elk jaar sta ik dan voor hetzelfde raadsel: zoals ik er niet in kom, kom ik er niet onderuit. Ik weet niet eens waarin of waaronder. Ik raak gewoon niet met en niet zonder vakantie. Eén been in het tekort van een short, aan derde hardnekkig op lengte. Een lastig evenwicht.

Daarom ga ik al jaren op een dag religieus aan de tuintafel zitten, rinkel de ijsblokjes in de eerste pastis, een vrolijke sirene in het glas, en beslis: nu is het vakantie. Dan kijk ik naar de vakantie en vangt een grondelose rusteloosheid aan.
Nu, dus, moet ik er tussenuit, nu moet ik dringend verplaatsen, nu verwacht mij nog maar één ding: een bestemming. Anders kom ik hier nooit meer weg, versteen ik tot porfier in mijn hier.

Zo zat ik dus weer nagelbijtend rond het tinkelende glas, turend naar het langzaam bruinend tuingras, besluiteloos luisterend naar de jaarlijkse uittocht in de verte.
Waar zal ik eens heen gaan.
Tegen de schermering ben ik opgestaan, richting de bries in de hazelaar.
Ik heb hem gegroet, die eeuwige vakantieganger in plaatselijke struiken. Ik heb het glas op hem geheven en hem gevraagd: waar gaat het dit jaar heen?

Bernard Dewulf

zaterdag 28 juni 2008

Instinct tot verdwalen.

De nacht sluipt stilaan door smalle kieren. Gewikkeld in de mantel der anonimiteit schrijf ik dit op.
Zo. Ziehier.
Bewijs is alweer geleverd, de wereld kent terug een fantasmagorie.
Bedankt meneer Étienne-Gaspard Robert. U was mijn verrijking voor vandaag.

Gekluisterd in het schimmige hoofd van mijn personage, ga ik dwalen. Ver-dwalen.
En als het personage zichzelf opendoet in mijn denkbeeldig boek, moet ik lachen.
Realiteit is muzikaal aangelegd. Soms kan het je smaken, andere keren wordt je maag lastig.

En dan heb je de eeuwige onbekende, die algauw versmelt met menig gezicht van passanten.
Twee om exact te zijn. Precisie. Juist ja.

Ik kan je niets zeggen, want één woord
En al jouw achting voor me is vermoord.
Ik gluur maar naar je hals en naar je handen.
Gerrit Komrij

woensdag 14 mei 2008

Hercules in de nacht

"Waar kan ik klaarkomen?"

Dat was de interpellatie van een wildvreemde die ik kreeg wanneer ik de nachtelijke bewaterde straten van Gent bewandelde. Hij stelde me die vraag alsof iemand me de weg vroeg. En eigenlijk is dat het ook. Een Hercules op zoek naar liefde en affectie, gestimuleerd door een bende titanen die deel uitmaakten van zijn automeubilair. Doodleuk antwoordde ik op die vraag, alsof iemand me vroeg wat ik 's ochtends op mijn boterham at.

"Overal en nergens, maar niet hier. Misschien iets verderop in deze straat. En als je het daar niet vindt, kan je nog hopen op onverwachtse dromen"

Hercules bedankte mij vriendelijk, gooide nog een goedkoop compliment de lucht in en scheurde ervandoor, de nacht in.
Net zoals ik. Met het enige verschil dat ik al sletterend op blote voeten beregende aarde beliep, met één enkel doel voor ogen: mijn kot bereiken en onverwachts dromen. Zonder meer.

donderdag 8 mei 2008

Kreun.

Hoe dikwijls moet ik het nog uitleggen: lust leeft niet van decibels.

Ik vond het eerste lichaam al iets bijna geluidloos hebben. Het was stiller zitten bij haar dan bij vader. Misschien had ze mij ook geruisloos gedragen. Nog zie ik het op foto's: iets ingetogens, bijna ingekeerds, zelfs in haar drukbezette schort. Het schillen van de aardappelen maakt meer geluid dan zij.

En zijn de mijne vandaag doodmoe van de lawaaierige wereld, dan kruipen ze bij haar, niet bij mij.

En nog zie ik het overal: alle blote navels en andere vertoningen ten spijt, er heerst een stilte in hun uitgesproken lichaam. Het kan Arctisch koud zijn, het kan verhit raken, maar er blijft een stilte in regeren.

Ik woon al jaren in buurten en nog nooit heb ik ergens een lichaam zelfs maar een tuintje bijeen horen schreeuwen. Niet eens de kamer, nauwelijks het fluwijn. Soms is het een plofje, soms een schokje, of zeven. Soms moet men al aan haar lippen hangen om iets te horen. Iets afgrondelijks, implosiefs. Niets te maken met buurtwerking. En, ja, de intense schoonheid van dat diepe nauwelijkse.

Maar zo onnozel werd de rocker van de spreidstand van haar stilte dat hij aan de antidepressiva raakte. Wie legt het hem nog eens uit? Dat zij niet de amplifier van zijn stroomstoten is. Dat het oog duizelingwekkender is dan de orkaan. Enzovoort.

Dat alle gekerm en gekreun allang in mij verzonken zijn, maar niet dat ene plofje.

Bernard Dewulf