woensdag 16 juli 2008

Nachtelijk waken

Een doos is geen doos. Een letter is niet zomaar een letter meer. Daar hebt gij nu wel voor gezorgd. Met enkele schermutselingen van zinnen dramde gij het op.
Daar stond ik dan. Gepakt en gezakt aan mijn eigen achterdeur. De tent stond op en de tuin lonkte. Verleidde.

Gij verstopte je hoofd met literaire Dahlkronkels in het struikgewas. Jouw imaginair struikgewas in mijn bescheiden tuin. Ge zou eens moeten weten… struiken zijn hier niet. Maar dat weet gij niet. Ge weet mij immers niet wonen.
Meneer Donker zou ons allemaal inpalmen. Dit ligt in elke ster besloten. De maan echter moet steeds opnieuw haar beste beentje voorzetten. Ook al bengelt ze boven al onze hoofden, waarom-vragen zijn complexe nachtdieren. Één oogopslag is niet voldoende.

Daar zat gij dan. Gemaskerd, incognito met reden. Ge ging me namelijk angst inboezemen.
Dus wacht ik gestaag. Mijn tentdeur staat op een kier en met de zaklamp in aanslag wacht ik. Tot de ochtend valt.


Enkel en alleen… vallen mijn ogen nu dicht.

vrijdag 11 juli 2008

Toen hing het af van een derde.

Alweer een woordenbrij die je genadeloos inlepelt. Je subject moet verteren. Slikken gebeurt blindelings voor andermans ogen die het panorama behoudzaam gadeslaat. Daar sta je dan, met je mond vol tanden die volop de woordenstroom herkauwt. Dit heet dan dia-loog.

“Je denkt altijd, je bént nooit.
Punt.

De intuïtie van die sensatie is nooit ver weg. De utopische gedachte wordt zonder meer gevoed. Een soort Bolero van ‘Zoiets van’. En samen sta je te wachten, op je eigen Godot, op je derde partij die deel uitmaakt van je groter geheel. Van je zijn, van je bént.
Je herkenningspunt: die oeroude boom die stilaan wordt gewurgd door groen gebladerte, samen met het vriendelijke gezicht dat doodleuk op de proppen komt met:

Godot komt vandaag niet, maar morgen zal hij zeker zijn afspraak nakomen

Dus blijven we gezellig met ons denken wachten. Op een antwoord, dat geen antwoord hoeft te zijn. Vragen zijn nu eenmaal warmer van kleur.


Men moet geduld hebben,
met het onopgeloste in het hart,
en proberen de vragen zelf lief te hebben,
als ontoegankelijke ruimtes,
als boeken, geschreven in volkomen onbekende taal.

Wanneer men die vragen leeft,
leeft men misschien geleidelijk,
zonder het te merken,
op een ongewone dag
binnen in het antwoord.

(Rainer Maria Rilke)
((Met dank aan))

donderdag 10 juli 2008

le Livre des Fantasmes

Mes terres brûlées, donnant plus de blé qu'un meilleur avril…
...

Laisse-moi devenir
L'ombre de ta main
L'ombre de ton chien

De vage pijn van de herinnering. Hier gaan we weer, voor de tweede maal. De cirkel van de Q is alweer mooi gevormd. Slapeloosheid zorgt voor de uitweg deze nacht. Gezapig bewandelen we beiden deze weg. De één op haar befaamde sletsen doorheen het dorre gras, de andere op blote voeten op beregende asfaltwegen.

We staan. Dáár.
Te midden in een vervallen Romeinse arena. Omringd door een schreeuwende massa.
Zonder woorden. Eindelijk.
Wat dit...

Mijn stappen in deze straat
Weerklinken
in een andere straat
waar
ik mijn stappen hoor
passeren in deze straat
waar
Slechts de mist werkelijk is

(Hier - Octavio Paz-Lozano)

... zegt genoeg ...

maandag 30 juni 2008

Heen

Waar gaat het heen?

De vraag zoemt als muggen om het hoofd dezer dagen. Men kan nergens meer komen of het gaat ergens heen. Het is immers vakantie. Dan wordt het wakker. Vervolgens reist het af naar binnenland, buitenland, eiland, strand, iets op afstand.
Het gaat, zo begrijp ik, ergens heen om er ergens anderers tussenuit te zijn. Dan moet het 'vakantiegevoel' zijn.
Over dat gevoel bestaat een brede consensus. Die is de laatste weken opzienbarend gegroeid, aan schoolpoorten, in straatbeelden, aan blote benen. Zelfs op de zonnenbank van nieuwsankers. Het is een zichtbare zucht van opluchting. De bel na een eindeloos lesuur zinsontleding. Een ontlading van de zinnen.

Elk jaar sta ik dan voor hetzelfde raadsel: zoals ik er niet in kom, kom ik er niet onderuit. Ik weet niet eens waarin of waaronder. Ik raak gewoon niet met en niet zonder vakantie. Eén been in het tekort van een short, aan derde hardnekkig op lengte. Een lastig evenwicht.

Daarom ga ik al jaren op een dag religieus aan de tuintafel zitten, rinkel de ijsblokjes in de eerste pastis, een vrolijke sirene in het glas, en beslis: nu is het vakantie. Dan kijk ik naar de vakantie en vangt een grondelose rusteloosheid aan.
Nu, dus, moet ik er tussenuit, nu moet ik dringend verplaatsen, nu verwacht mij nog maar één ding: een bestemming. Anders kom ik hier nooit meer weg, versteen ik tot porfier in mijn hier.

Zo zat ik dus weer nagelbijtend rond het tinkelende glas, turend naar het langzaam bruinend tuingras, besluiteloos luisterend naar de jaarlijkse uittocht in de verte.
Waar zal ik eens heen gaan.
Tegen de schermering ben ik opgestaan, richting de bries in de hazelaar.
Ik heb hem gegroet, die eeuwige vakantieganger in plaatselijke struiken. Ik heb het glas op hem geheven en hem gevraagd: waar gaat het dit jaar heen?

Bernard Dewulf

zaterdag 28 juni 2008

Instinct tot verdwalen.

De nacht sluipt stilaan door smalle kieren. Gewikkeld in de mantel der anonimiteit schrijf ik dit op.
Zo. Ziehier.
Bewijs is alweer geleverd, de wereld kent terug een fantasmagorie.
Bedankt meneer Étienne-Gaspard Robert. U was mijn verrijking voor vandaag.

Gekluisterd in het schimmige hoofd van mijn personage, ga ik dwalen. Ver-dwalen.
En als het personage zichzelf opendoet in mijn denkbeeldig boek, moet ik lachen.
Realiteit is muzikaal aangelegd. Soms kan het je smaken, andere keren wordt je maag lastig.

En dan heb je de eeuwige onbekende, die algauw versmelt met menig gezicht van passanten.
Twee om exact te zijn. Precisie. Juist ja.

Ik kan je niets zeggen, want één woord
En al jouw achting voor me is vermoord.
Ik gluur maar naar je hals en naar je handen.
Gerrit Komrij

woensdag 14 mei 2008

Hercules in de nacht

"Waar kan ik klaarkomen?"

Dat was de interpellatie van een wildvreemde die ik kreeg wanneer ik de nachtelijke bewaterde straten van Gent bewandelde. Hij stelde me die vraag alsof iemand me de weg vroeg. En eigenlijk is dat het ook. Een Hercules op zoek naar liefde en affectie, gestimuleerd door een bende titanen die deel uitmaakten van zijn automeubilair. Doodleuk antwoordde ik op die vraag, alsof iemand me vroeg wat ik 's ochtends op mijn boterham at.

"Overal en nergens, maar niet hier. Misschien iets verderop in deze straat. En als je het daar niet vindt, kan je nog hopen op onverwachtse dromen"

Hercules bedankte mij vriendelijk, gooide nog een goedkoop compliment de lucht in en scheurde ervandoor, de nacht in.
Net zoals ik. Met het enige verschil dat ik al sletterend op blote voeten beregende aarde beliep, met één enkel doel voor ogen: mijn kot bereiken en onverwachts dromen. Zonder meer.

donderdag 8 mei 2008

Kreun.

Hoe dikwijls moet ik het nog uitleggen: lust leeft niet van decibels.

Ik vond het eerste lichaam al iets bijna geluidloos hebben. Het was stiller zitten bij haar dan bij vader. Misschien had ze mij ook geruisloos gedragen. Nog zie ik het op foto's: iets ingetogens, bijna ingekeerds, zelfs in haar drukbezette schort. Het schillen van de aardappelen maakt meer geluid dan zij.

En zijn de mijne vandaag doodmoe van de lawaaierige wereld, dan kruipen ze bij haar, niet bij mij.

En nog zie ik het overal: alle blote navels en andere vertoningen ten spijt, er heerst een stilte in hun uitgesproken lichaam. Het kan Arctisch koud zijn, het kan verhit raken, maar er blijft een stilte in regeren.

Ik woon al jaren in buurten en nog nooit heb ik ergens een lichaam zelfs maar een tuintje bijeen horen schreeuwen. Niet eens de kamer, nauwelijks het fluwijn. Soms is het een plofje, soms een schokje, of zeven. Soms moet men al aan haar lippen hangen om iets te horen. Iets afgrondelijks, implosiefs. Niets te maken met buurtwerking. En, ja, de intense schoonheid van dat diepe nauwelijkse.

Maar zo onnozel werd de rocker van de spreidstand van haar stilte dat hij aan de antidepressiva raakte. Wie legt het hem nog eens uit? Dat zij niet de amplifier van zijn stroomstoten is. Dat het oog duizelingwekkender is dan de orkaan. Enzovoort.

Dat alle gekerm en gekreun allang in mij verzonken zijn, maar niet dat ene plofje.

Bernard Dewulf

Koper giet zy

Ik stond genageld aan de grond
Door haar ogen, bruin als stront

(wordt vervolgd!?)

vrijdag 2 mei 2008

Nachtelijke Braille

“Zo handhaaf ik in mijzelf de twijfel en bewaar mijn keuzevrijheid, totdat de situatie dringend wordt.
En eerlijk gezegd gooi ik dan meestal het veertje maar in de wind, zoals het gezegde luidt, en geef ik me over aan de genade van het fortuin; zeer lichte voorkeuren en zeer onbelangrijke omstandigheden geven dan bij mij de doorslag”

Michel de Montaigne

woensdag 30 april 2008

La découverte

Na een culinair etentje bij P. (niet te lezen als Pee), veranderde de avond in nacht. Het bed werd opengeklapt en met enkelingen zochten we de televisionele wijsheid op die we uiteindelijk vonden in een Sweet Sixteen aflevering waar we de maatschappij toch wel even in vraag stelden. Na het nodige dekengetrek en de altijd verwachte kussengevechten met E. tikte de seconden weg. Ik stapte dan maar eens de nacht in zodat P. en E. hun bed konden opzoeken. Onder de donkere regenwolken, gesierd door hier een daar een ster, doolde ik door de verlaten straten van Gent totdat gerinkel me opschrikte. Er moest een reddingsactie plaatsvinden. J., die zich bevond in een Overpoorts danscafé vol gepeupel die de echte pareltjes in Gent niet kent, kwam gek van de goedkope dansmuziek die het café vulde. Met een goedkope smoes loodste ik hem de deur uit, de straat op.

Samen zochten we de Geus nog eens op om daar neer te ploffen in één van hun excellente zetels, gehuld in Jazzklanken, geïngalleerde rook en bruisende drank. We herontdekten de wondere wereld van René Magritte en penetreerden in zijn surrealistische werken die een tikkel van onze waarheid meekregen. 'Ceci n'est pas une pipe' gedachten...


Voordat de deuren van het Geuzenhuis werden gesloten, loosten we onszelf terug de stad in. Genietend van de rust en de stilte die Gent overmeesterde op dit maanuur. Na wat geslof, ploften we neer op een bank, in donker gehuld, in hét Muinpark waar we ettelijke uren bleven zitten en uitkeken op de zwarte vijver, die ons geruststellend in het oog hield. De stereotype nachtelijke woorden en ideeën vulden onze mond en werden de ruimte ingeslingerd. Stil genoeg, zodat geen slapend mens werd wakkergeschrikt door de subtiliteit van de wakkere mens. Samen met het vogelgefluit zochten we mijn kot op om stilaan de ochtend al slapend in te zetten.

maandag 28 april 2008

Persephone

En toen kwam alweer de bevestiging van het onbekende. Vreemde kronkels beginnen stilaan de oppervlakte te verkennen en steeds meer penetreren vragen mijn lichaam en hoofd. "Wat als" wordt gauw gezegd, maar mijn lippen blijven stijf op elkaar en koppig dicht. Of dat wijsheid bevat, blijft schimmig. Schimmig... dat is hét woord. Stilaan reizend naar de vergetelheid met een duidelijke schaduw die zich manifesteert op mijn gevulde kotmuren. Zoekend naar de uitgang normale gang van zaken.


Want wat als.... Kijk, ik heb het toch gezegd. Heel stil en teder, zodat enkel de nacht me hoort. Nu nog de moed vinden om het de dag in te fluisteren. 'Misschien' zijn aaneen geregen letters.

zondag 27 april 2008

Pluk de zon.

Laten we eens eerlijk zijn. Voor eens…



Ik neem adem in mijn longen, net voldoende om één zin, met eerlijkheid, de ruimte in te sturen. En daar blijft hij hangen en rondzweven, totdat jij nog eens die kamer betreedt en die zin in je opneemt. Tenminste, als hij dan nog niet mijn openstaand raam heeft gevonden en door de stille straten van Ergens doolt. Steeds hoger klimmend, totdat een wolk hem absorbeert en de waarheid laat wenen. Daarom was één adem genoeg, want de regen overwon.



Als Honsjeponsjekevertjes bestaan, kunnen de mensjes de zon plukken, ook als het onweert. Gelukkig dat het is.

maandag 21 april 2008

Exit.

Op binnen en buiten en boven en onder en begin en eind en heen en terug en voor en achter en open en dicht en kop en teen en dik en dun en recht en krom en glad en ruig en meer en minder en alles en niets en dank en stank en heug en meug en big en zeug en steen en been en truus en leen en op en top en kiel en sop en ik en jij en wij en zij en hak en tak en pis en kak en dit en dat en zus en zo. Zo?

zondag 20 april 2008

Ik open mijn ogen

...
...
...

Want slapend is ze het meest nabij.



Laten we het daar maar bij houden.



zaterdag 19 april 2008

We zijn slaafse nachtvissen.

Zo.


Mijn dagen tussen toen en nu worden stilaan geschreven op de krant van morgen. Letters banen zich een weg doorheen de stille pauzes die de kaders hadden bezet. De harde hand van de stilte moet afdruipen, richting (N)ergens want ik ben jong, ik brouw maar wat. Onwillekeurig krijgen mijn brouwsels een getint kleurtje, afhankelijk van mijn consumptie van die dag. Enkel en alleen kleuren ze niet, ze verven. Ze verven hét doek.

“Volharding, dat is de hoofdzaak want wie niet in wonderen gelooft, is geen realist.” zegt de paps op een ouderlijke toon tegen zijn oudste dochter. Ja knikkend ging ze akkoord, niet wetend wat het precies inhield. Maar het waren de woorden van haar paps en vaderfiguren worden niet in twijfel getrokken.

En daar stond zij (of Zij) dan. Tussen de zoete volharding en de bittere wonderen. Vol onverschilligheid en onwetendheid dwaalt ze door de straten van een verlaten stad die mij ook gekend is. We lopen in elkaars schoenen, per toeval en voor heel even. Maar net genoeg om de maan te laten opkijken en haar voorzichtige stappen op te merken. Het onzichtbare begint stilaan een vorm te krijgen. Het perspectief wordt bijgewerkt en objectiviteit verlaat het straatbeeld. Ziezo, de nacht kleurt subjectief naakt…


Naakt… Naakt!

De contouren zijn afgetast.
De ochtendzon is geabsorbeerd.
De schaduw was besproken.


De nacht schuift nu eenmaal geluidloos...

zondag 6 april 2008

Het kind in de kunstenaar gekoesterd.





Ik moet het niet meer weten,

nu je met je mond vol kus gespaard
weer voor me staat.


Stijn Vranken


vrijdag 4 april 2008

Tot hier en zelfs verder

Ik woon tussen mijn personages. Afwisselend snuiven ze de zon op en leven ze van grasgroene gedachten. Ze springen de trein op, richting Ergens, om daarna als een andere gedaante terug te pendelen. In het epicentrum werden ze verondersteld rust te vinden, maar die gedachte werd al snel gesust door een overvolle agenda. Geen rust kwam opzetten, maar een waarheid. Een waarheid die zowel verstoot als omarmt, want ook een stoel kan niet blijven zitten. Je mond zocht woorden die op hun beurt een zin sponnen… “Jouw hand in mijn hand, liefde bij de koffieklets.”

Dat was je antwoord op mijn waarheid geworden. En ik, ik mocht je bedanken met het sluimerende geluid van de stilte. Maar al snel vonden mijn klanken de woorden: “Hier moest het naakt zijn, want jij bent een vleesgeworden impulsmoment.”



Samen zochten we naar de kunst van het stelen van kunst
maar op kousenvoetjes werden we betrapt.


Spannend, nietwaar?!


P.S. Breek uit je eierschaal en wordt een kuiken, maar vooral hopen fruit eten.

vrijdag 28 maart 2008

Het koekjesmonster slaat toe

Nostalgisch koekje… zo werd ik onlangs beschreven door een vreemdelinge E.. Hoe moet je nu in godsnaam een nostalgisch koekje gaan definiëren? Een Oreokoekje, akkoord. Princekoek, tot daar aan toe. Maar een nostalgisch koekje? Is het lekker, zoet, zoutig, krokant, zacht, romig, …?

Het radarwerk werd in gang getrokken. En zonder al te veel besef, zit ze er recht op. Mysterieus zijnd, mijn hoela. Twee ordinaire woorden zijn genoeg om één persoon samen te vatten. De wereld als koekjestrommel waar iedereen zijn eigen smaak heeft. De realiteit is een wereld vol illusie waar de regel van het postmodernisme geldt. De waarheid is dood en objectiviteit is een stervend ras. Laten we daar maar van uitgaan. Maar dat bederft de pret niet. Hoezee voor “juiste” antwoorden. Want wat menig mens je ook probeert te vertellen, ze hebben gelijk. Ook al ben jij er niet mee akkoord. Ieder geïsoleerd op zijn of haar eigen eiland met als metgezel hun eigen waarheid. Met wat geluk zorgen enkele smokkelroutes voor een verbinding met een ander verlaten eiland, zodat reizen toch nog eens mogelijk wordt.

Dus ja, ik ben een nostalgisch koekje. Je hebt gelijk. Net zoals P. me een koekje vindt die tandplak veroorzaakt, maar wel geen gaatjes achterlaat. (van een contradictio in terminis gesproken) En wie weet welk koekje de lezer me toegooit. De wereld is dus niet enkel een koekjestrommel… Iedereen is één op zich.





Lang leve het koekjesmonster!!






donderdag 27 maart 2008

Wie van ons twee heeft de ander bedacht?

Woorden zijn mager, breekbaar en broos. Hoe kunnen zij, machteloze slachtoffers van mijn woelige geest, ooit recht doen aan onze relatie en de onnoemelijke impact die ze op ons leven heeft?
Dan hebben we de stiltes, twijfelachtig hangend in de eetkamer. Niet zeker wetend of ze de trap naar de slaapkamer mogen nemen of dat ze nog beter even gaan zitten in de woonkamer.

We blijven ongegeneerd koppig doorlopen, met de stroming mee of er lijnrecht tegenin. In dat gevoel waren en zijn we verbonden als geen twee anderen. Gevolg: cohesie of frontale botsing, alweer opgevangen met de nodige proportie woorden die de ruimte worden in geslingerd. Onze woorden zijn vluchtige opgejaagde dieren die het bos in vluchten om beschutting te zoeken. Stiltes liggen ons meer, de open weilanden die ademruimte creëren en de dieren laat drinken aan een klein riviertje.

Als mond van tederhout,
zou ik wijken voor je woorden.
Zou ik?
Misschien is ja
het mooiste woord.

Pom Wolff

We denken niet, we huiveren door de eenvoud van de verleiding. We openen onze ogen en op het onbeschreven blad van de ochtendlucht schrijft een vogel onze poezië neer. Voorzichtig, zonder al te veel omwentelingen. Want uit de wonderbare kluwen van waarheid en fantasie hebben we toen ons eigen verhaal geweven. En elke dag opnieuw kent het een ander einde die dan terug transformeert in een begin. Het begin kan niet zonder einde, net zoals geluiden onlosmakelijk verbonden zijn met hun echo. Sentimentaliteit heeft namelijk niets te maken met het herinneren, maar alles met het vergeten.

Mijn linkeroog moet mijn rechteroog overlappen, want elk zien ze dingen die de ander niet ziet. Wie kan dat beter zeggen dan Marc De Bel:

Telkens als ik jou zie
raak ik op slag
van slag
en alles kwijt

het noorden
mijn adem
mezelf

de tijd
en vooral mijn kluts
I love you so muts




vrijdag 21 maart 2008

Méér koffie? Graag.

Je hebt gelijk, ik ben terug woordenloos. De stiltes belichamen de naakte hemel waaronder we ons verschuilen. En toch, de verleiding ligt altijd op de loer, net zoals de maan steeds over ons waakt.



Maar net zoals ééntje
om een tweede vraagt
en ook bijna altijd krijgt
of een begin
niet zonder einde komt

Zo smaakt mijn koffie vandaag
naar meer
naar jou
naar meer van jou.

dinsdag 18 maart 2008

Les Amants Reguliers

Ik méén wat ik zeg en ik zeg wat ik méén.

Het avondlicht zinkt door de vensters binnen
De bruine meubels denken aan elkaar
Een stervend woord wil overal beginnen

En dat doet het ook. Het begint, aangezien de woorden tussen het nieuwe ons aan het sterven waren. Maar het is niet, het kwam gewoon. Net zoals de zon opkomt en terug gaat slapen. De term "wij" probeert alweer duidelijkheid te scheppen al telefonerend. Jij daar, ik hier en zo bengelt de afstand tussen ons in. Maar deze keer wordt deze weg bereden door de definitie. Voorzichtig baant het zich een weg op fragiele wegen die uiteindelijk wel altijd ergens uitkomen.
De meningen zijn verdeeld, net zoals ons ratio.

Droom dan tenminste dat wij nimmer scheidden,
Wij droomden het zo vaak, kind, naast elkaar.
Nu kuste ik, toen je sliep, voor het laatst de zijde
Geurende overvloed van je wild haar.

Ik nam mijn vedel, liet me het raam uitglijden,
Sloop door den boomgaard, telkens omziend naar
Het venster, open in de klimtop, waar
Jij met een glimlach droomt dat wij nooit scheiden.

Droom dan, als in het sprookje, honderd jaar:
Droom dat je met mij zwierf en met me bij de
Herbergen speelde en dansen begeleidde -

Adieu. Wellicht maakt ginds een tovenaar
Een prinses van deze vedelaar
Wiens kus je wekt, en zijn wij nooit gescheiden.

Martinus Nijhoff - De muze en het meisje

maandag 17 maart 2008

Dubieus

Geheel gewaad in dubieuziteit (als dat al een woord is), vlij ik me neer in mijn bed. Sentimentaliteit vult stilaan mijn kamer, niet goed wetende waar het heen moet vluchten. Als een gevangene zuigt het mijn ademlucht op en voel ik me verstikt. Vrijheid is een utopische gedachte, net zoals alle andere roerselen die zich weven in mijn hoofd.

Nochthans was alles deze morgen helder, niet zonnig, gewoon niet regenachtig. Zoals zovele andere maandagen voor deze. Gemotiveerd begon ik te zwoegen aan de lesvoorbereidingen die af moesten. Maar naarmate de tijd vorderde, begon elke seconde te knagen. De Kelten startten de oorlog met tijd en met mijn geduld. Maar toch, net zoals in de geschiedenis moesten ze bezwijken. Hoe strijdlustig ze ook waren, ik heb ze kunnen overmeesteren. Nu zitten ze mooi gegoten in een lesvoorbereiding. Morgen mogen ze terug ten tonele verschijnen.
Naast de Kelten, kwamen de neologismen ook aan bod. Quatsch, regelrechte onzin kwam uit mijn mouw geschud. Toegestaan, want het zijn uiteindelijk neologismen.

Geheel uitgezogen en passief sletter ik naar mijn kot, de mediatheek vervloekend en belovend dat ik dat de komende dagen zal verbannen. Hanne, een jenke kotgenote, zorgde terug voor de nodige energie, net zoals één van haar lady's. Gekwetter was terug te horen in heel het weergalmende gebouw. Na een lang overleg, die zéker wel ettelijke microseconden duurde, besloot ik maar om mijn wekelijkse café-avond aan te vatten. Vg zou het worden, determinatie alom, mezelf een kriek belovend, samen met de discipline niet al te laat naar kot terug te keren.

Lander kwam me zoals gewoonlijk oppikken. Kletsend over de vorige week en gebeurtenissen hadden we terug aan update aan alles. De afstand tussen mijn kot en vg is altijd mooi gepast. Eenmaal toegekomen werd het me alweer duidelijk. Ik zou me terug wentelen in de algemene situatie die stilaan vertrouwd begint te voelen. De ene sjokte vg binnen terwijl een ander het café verliet en zo ging de avond verder. Eline en Pieter hielden me vooral gezelschap en naast de serieuziteit van enkele gesprekken, was er plaats voor gehuppel en gekwezel. En toch, de waarheid viel, 'dubieus'... Het woord die blijft rondvliegen als een pegasus in mijn gedachten. Hét woord die alles omvat, die sluimert tussen ergens en nergens van hersenkronkels.

En zo vertrok ik terug kotwaars. Uit automatisme meed ik alle heuvels die ik kon mijden. Ik was met de fiets en mijn benen wilden geen uitdagingen meer voor vandaag. Toch, diep in gedachten en in muziek verzonken, reed ik verkeerd. Pas na enkele minuten had ik eindelijk fits dat dit niet de weg naar mijn kot was. Na een reoriëntatie bereed ik nu de juiste weg, richting slaap en bibliofagie.

Look up, what do you see?
All of you and all of me
Fluorescent and starry
Some of them, they suprise

zondag 16 maart 2008

Ik hoor het applaus, het theater zit vol

“Einen guten Morgen!”
Niets 'plezanter' om in Duits geschel wakker te worden op een veel te vroege zondagmorgen (Ja, 8uur is vroeg). Ik laat me mijn bed uitvallen om duidelijk te maken dat mijn spieren nog slaap verdienen en wanneer ze mij geheel wakker willen krijgen, me nog ettelijke uren mogen laten liggen soezen en dromen. Maar dit is zonder de ochtendactiviteit van mijn broer gerekend. Holderdebolder gooit hij zijn hele lijf (gelukkig niet al te groot en te zwaar) op mijn slaperige lichaam en probeert hij mijn spieractiviteit wakker te kietelen. Reactie: mond open, keelgat open en maar schateren en roepen. Een combinatie van lachen en boos willen zijn, met een weergalming van hier tot in de keuken. Al lachend geef ik me over en beginnen mijn spieren met tegenzin te werken.

Toch viel dit alles al bij al nog mee. Het absurdisme was vooral heer en meester van deze huiselijke structeren en iedereen leek naast elkaar zijn ding te doen, totdat alles uiteindelijk versmolt in een namiddag.

Aangezien je als student wel ettelijke uren op je kamer mag doorbrengen, zat ik op het studeerkamertje lustig te lezen totdat mijn gsm mijn aandacht trok. Lieftallige P. belde me op. P., een onderdeel van mijn verleden en heden, hield zich terug niet aan de afspraak. Net een soort vicieuze cirkel die niet te doorbreken is. Hoeveel keer we ook de toekomst proberen uit te stippelen, altijd slagen we erin ons er niet aan te houden. Deze keer was zij de zwakke van ons. Het verleden jaagt op ons. Hoe hard we het ook proberen te negeren, de zuigkracht en de verleiding is gewoon te groot. En toch, beiden weten we wat ons te wachten staat wanneer we het heden willen combineren met de toekomst. De spanning, die er nog altijd is tussen ons, teert objectief gezien op het verleden. Is dit wel een goede basis om terug een relatie te beginnen...
Ja, neen, ja, neen,... steeds dezelfde vraag die blijft komen.

Al dat gewijfel, getwijfel. Even wil ik niet meer denken en gewoon de week nemen zoals ze nu komt: Ik hoor het applaus, het theater zit vol. Tijd om het masker boven te halen.