Hoe dikwijls moet ik het nog uitleggen: lust leeft niet van decibels.
Ik vond het eerste lichaam al iets bijna geluidloos hebben. Het was stiller zitten bij haar dan bij vader. Misschien had ze mij ook geruisloos gedragen. Nog zie ik het op foto's: iets ingetogens, bijna ingekeerds, zelfs in haar drukbezette schort. Het schillen van de aardappelen maakt meer geluid dan zij.
En zijn de mijne vandaag doodmoe van de lawaaierige wereld, dan kruipen ze bij haar, niet bij mij.
En nog zie ik het overal: alle blote navels en andere vertoningen ten spijt, er heerst een stilte in hun uitgesproken lichaam. Het kan Arctisch koud zijn, het kan verhit raken, maar er blijft een stilte in regeren.
Ik woon al jaren in buurten en nog nooit heb ik ergens een lichaam zelfs maar een tuintje bijeen horen schreeuwen. Niet eens de kamer, nauwelijks het fluwijn. Soms is het een plofje, soms een schokje, of zeven. Soms moet men al aan haar lippen hangen om iets te horen. Iets afgrondelijks, implosiefs. Niets te maken met buurtwerking. En, ja, de intense schoonheid van dat diepe nauwelijkse.
Maar zo onnozel werd de rocker van de spreidstand van haar stilte dat hij aan de antidepressiva raakte. Wie legt het hem nog eens uit? Dat zij niet de amplifier van zijn stroomstoten is. Dat het oog duizelingwekkender is dan de orkaan. Enzovoort.
Dat alle gekerm en gekreun allang in mij verzonken zijn, maar niet dat ene plofje.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten