woensdag 14 mei 2008

Hercules in de nacht

"Waar kan ik klaarkomen?"

Dat was de interpellatie van een wildvreemde die ik kreeg wanneer ik de nachtelijke bewaterde straten van Gent bewandelde. Hij stelde me die vraag alsof iemand me de weg vroeg. En eigenlijk is dat het ook. Een Hercules op zoek naar liefde en affectie, gestimuleerd door een bende titanen die deel uitmaakten van zijn automeubilair. Doodleuk antwoordde ik op die vraag, alsof iemand me vroeg wat ik 's ochtends op mijn boterham at.

"Overal en nergens, maar niet hier. Misschien iets verderop in deze straat. En als je het daar niet vindt, kan je nog hopen op onverwachtse dromen"

Hercules bedankte mij vriendelijk, gooide nog een goedkoop compliment de lucht in en scheurde ervandoor, de nacht in.
Net zoals ik. Met het enige verschil dat ik al sletterend op blote voeten beregende aarde beliep, met één enkel doel voor ogen: mijn kot bereiken en onverwachts dromen. Zonder meer.

donderdag 8 mei 2008

Kreun.

Hoe dikwijls moet ik het nog uitleggen: lust leeft niet van decibels.

Ik vond het eerste lichaam al iets bijna geluidloos hebben. Het was stiller zitten bij haar dan bij vader. Misschien had ze mij ook geruisloos gedragen. Nog zie ik het op foto's: iets ingetogens, bijna ingekeerds, zelfs in haar drukbezette schort. Het schillen van de aardappelen maakt meer geluid dan zij.

En zijn de mijne vandaag doodmoe van de lawaaierige wereld, dan kruipen ze bij haar, niet bij mij.

En nog zie ik het overal: alle blote navels en andere vertoningen ten spijt, er heerst een stilte in hun uitgesproken lichaam. Het kan Arctisch koud zijn, het kan verhit raken, maar er blijft een stilte in regeren.

Ik woon al jaren in buurten en nog nooit heb ik ergens een lichaam zelfs maar een tuintje bijeen horen schreeuwen. Niet eens de kamer, nauwelijks het fluwijn. Soms is het een plofje, soms een schokje, of zeven. Soms moet men al aan haar lippen hangen om iets te horen. Iets afgrondelijks, implosiefs. Niets te maken met buurtwerking. En, ja, de intense schoonheid van dat diepe nauwelijkse.

Maar zo onnozel werd de rocker van de spreidstand van haar stilte dat hij aan de antidepressiva raakte. Wie legt het hem nog eens uit? Dat zij niet de amplifier van zijn stroomstoten is. Dat het oog duizelingwekkender is dan de orkaan. Enzovoort.

Dat alle gekerm en gekreun allang in mij verzonken zijn, maar niet dat ene plofje.

Bernard Dewulf

Koper giet zy

Ik stond genageld aan de grond
Door haar ogen, bruin als stront

(wordt vervolgd!?)

vrijdag 2 mei 2008

Nachtelijke Braille

“Zo handhaaf ik in mijzelf de twijfel en bewaar mijn keuzevrijheid, totdat de situatie dringend wordt.
En eerlijk gezegd gooi ik dan meestal het veertje maar in de wind, zoals het gezegde luidt, en geef ik me over aan de genade van het fortuin; zeer lichte voorkeuren en zeer onbelangrijke omstandigheden geven dan bij mij de doorslag”

Michel de Montaigne