Mijn dagen tussen toen en nu worden stilaan geschreven op de krant van morgen. Letters banen zich een weg doorheen de stille pauzes die de kaders hadden bezet. De harde hand van de stilte moet afdruipen, richting (N)ergens want ik ben jong, ik brouw maar wat. Onwillekeurig krijgen mijn brouwsels een getint kleurtje, afhankelijk van mijn consumptie van die dag. Enkel en alleen kleuren ze niet, ze verven. Ze verven hét doek.
“Volharding, dat is de hoofdzaak want wie niet in wonderen gelooft, is geen realist.” zegt de paps
op een ouderlijke toon tegen zijn oudste dochter. Ja knikkend ging ze akkoord, niet wetend wat het precies inhield. Maar het waren de woorden van haar paps en vaderfiguren worden niet in twijfel getrokken.
En daar stond zij (of Zij) dan. Tussen de zoete volharding en de bittere wonderen. Vol onverschilligheid en onwetendheid dwaalt ze door de straten van een verlaten stad die mij ook gekend is. We lopen in elkaars schoenen, per toeval en voor heel even. Maar net genoeg om de maan te laten opkijken en haar voorzichtige stappen op te merken. Het onzichtbare begint stilaan een vorm te krijgen. Het perspectief wordt bijgewerkt en objectiviteit verlaat het straatbeeld. Ziezo, de nacht kleurt subjectief naakt…
Naakt… Naakt!
De contouren zijn afgetast.
De ochtendzon is geabsorbeerd.
De schaduw was besproken.
De nacht schuift nu eenmaal geluidloos...

1 opmerking:
Een reactie posten